Lettergrootte - +
Contrast - +

De Staat van het Onderwijs voor kinderen met een beperking

Woensdag 11 april werd het rapport ‘De Staat van het Onderwijs’ van het Ministerie van Onderwijs gepresenteerd. Een jaarlijks rapport waarin de staat van het Nederlandse onderwijs wordt geëvalueerd. Drs. Monique Vogelzang, inspecteur-generaal van het onderwijs, is blij met het positieve beeld dat dit rapport de afgelopen jaren heeft gegeven en nog steeds geeft. ‘Nederlandse leerlingen ronden gemiddeld goed opgeleid hun schoolloopbaan af en studenten met een mbo, hbo of wo diploma vinden snel een baan op niveau’, zo schrijft ze in het rapport.

Goed opgeleide Nederlandse studenten vinden relatief snel een baan, maar in het voortgezet speciaal onderwijs is het arbeidsperspectief veel kleiner. Slechts twintig procent van de leerlingen die rechtstreeks uitstroomt naar de arbeidsmarkt vindt een (beschutte) werkplek. Nog verontrustender is het hoge percentage schoolverlaters dat na het voortgezet speciaal onderwijs geen werkplek vindt en ook niet verder kan leren. En dat terwijl leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs steeds vaker examen doen. In vier jaar tijd is dit aantal met 1.669 leerlingen gegroeid. De cijfers laten duidelijk zien dat leerlingen uit het voortgezet speciaal onderwijs niet profiteren van de aantrekkende arbeidsmarkt, terwijl studenten met een mbo, hbo of wo diploma dit wel doen.

Uitstroom van VSO leerlingen naar uitstroomprofiel

Uitstroom van VSO leerlingen naar uitstroomprofiel, in procenten
Bron: Inspectie van het Onderwijs, 2018

Kansen in het onderwijs

Zoals bovenstaande cijfers laten zien zijn niet alle kansen in het onderwijs voor iedereen gelijk. De inspectie ziet dat de kansenongelijkheid de afgelopen jaren alleen maar groter is geworden evenals de kwaliteitsverschillen tussen scholen. Deze verschillen zijn ontstaan doordat steeds meer schoolbesturen, lokaal en regionaal, zijn gaan samenwerken op het gebied van onderwijs, zorg en passend onderwijs. In 2014 is de Wet passend onderwijs ingevoerd en sindsdien is de samenwerking in veel gemeentes verbeterd. Toch zijn er grote verschillen in de werkwijze en de organisatie van samenwerkingsverbanden in de verschillende gemeentes. Dit komt doordat ze verschillende opvattingen hebben over de opdracht van het organiseren van passend onderwijs.

Uit het rapport ‘De Staat van het Onderwijs’, blijkt dat scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs te maken hebben met gemiddeld vier samenwerkingsverbanden met elk een ander beleid. Zo krijgen scholen voor leerlingen met precies dezelfde problematiek van het ene samenwerkingsverband soms veel meer geld voor ondersteuning dan van het andere. Dit zijn ‘onbegrepen situaties’ volgens de inspectie. Bij eenderde van de 23 door hen bezochte (voortgezet) speciaal onderwijs scholen werd er onvoldoende voorzien in kwaliteitszorg. De inspectie vindt dat er meer samenwerking tussen reguliere en speciale voortgezet onderwijs scholen nodig is om een breder onderwijsaanbod in te richten en volledige diplomering mogelijk te maken.

Inclusief onderwijs in de kinderschoenen

Deze cijfers en regionale verschillen tonen aan dat passend onderwijs in Nederland in de kinderschoenen staat en niet altijd inclusief onderwijs is. Wel zien we dat er hard gewerkt wordt aan meer inclusie op school. Hier werd, tijdens het congres waar het rapport ‘De staat van het Onderwijs’ werd gepresenteerd, aandacht aan besteed met een workshop georganiseerd door Ieder(in).

De workshop over inclusief onderwijs werd geleid door hoogleraar Dolf van Veen en schooldirecteur Teun Dekker van basisschool De Kroevendonk. Hier werd gesteld dat inclusief onderwijs de basis legt voor het volwaardig mee kunnen doen in de maatschappij. Veel mensen denken bij inclusief onderwijs aan rolstoelbussen die bij school voorrijden of leraren met te hoge werkdruk, maar volgens Van Veen is dat niet zo. Hij stelde tijdens de workshop dat inclusief onderwijs niet meteen groots aangepakt hoeft te worden, maar dat het al de goede kant op gaat als een school kleine stapjes zet in de richting van inclusiviteit. De transitie naar inclusief onderwijs vraagt echter een heel andere manier van nadenken van bestuurders, leerkrachten en de ouders. Er moet worden nagedacht over de vormgeving van de leeromgeving en meer worden gewerkt aan het delen van expertise. Dit alles is ontzettend belangrijk voor een betere samenwerking richting inclusief onderwijs. Ieder kind heeft het recht op onderwijs waarin hij of zij zich optimaal kan ontwikkelen. Daarom moeten er nu stappen gemaakt worden richting inclusiviteit.