Kansen(on)gelijkheid bij de overgang van po naar vo

Kansen(on)gelijkheid bij de overgang van po naar vo

In 2016 heeft de inspectie een verdiepend themaonderzoek gedaan naar de kansen(on)gelijkheid bij de overgang van het primair onderwijs naar voortgezet onderwijs. Het onderzoek, Kansen(on)gelijkheid bij de overgangen po-vo, is uitgevoerd naar aanleiding van de publicatie de Staat van het Onderwijs 2014/2015 en de reactie over het thema kansenongelijkheid.

In het onderzoek staat de vraag centraal hoe je als leerkracht of docent een advies (richting vo, of ten aanzien van overgang binnen vo) kan afgeven en onderwijs kan bieden dat zoveel mogelijk recht doet aan de capaciteiten en mogelijkheden van een kind. Aan het onderzoek namen inspecteurs van beide sectoren en elf scholen deel. Er is vooral gekeken naar de advies- en plaatsingsmomenten bij de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs en de plaatsingsmomenten binnen de onderbouw van het voortgezet onderwijs.

SUCCESFACTOREN

Uit het onderzoek blijkt dat niet alleen de procedures van belang zijn, maar met name de afwegingen die door leraren en scholen worden gemaakt. Daarnaast volgden uit het onderzoek succesfactoren die kansen voor leerlingen bevorderen.

1. ZORGVULDIGE INSCHATTING
Het is belangrijk dat scholen en leerkrachten gedurende het jaar een zorgvuldige inschatting maken van de capaciteiten en mogelijkheden die leerlingen hebben. Hierbij wordt van hen verwacht dat zij zich bewust zijn van het feit dat impliciete aannames en houdingen het beeld over de mogelijkheden en capaciteiten van een leerling kunnen beïnvloeden.

2. GEBRUIK LEERLINGEN INFORMATIE
Het gebruik van leerlingeninformatie bij de inrichting van het onderwijs vraagt om specifieke aandacht voor cognitieve en niet-cognitieve achterstanden of juist bovengemiddelde prestaties. Door deze informatie te vertalen naar passende en uitdagende leerdoelen kunnen docenten onderwijs bieden naar de onderwijsbehoeften van de leerling.

3. ZORGVULDIGE AFWEGINGEN BIJ BESLUITEN OVER ADVISERING
Het nemen van besluiten over advisering naar of het plaatsen in een onderwijsniveau vraagt om zorgvuldige afwegingen. Basisscholen hebben kennis nodig over het voortgezet onderwijs dat zij hun leerlingen adviseren en moeten deze adviezen analyseren. Dit vraagt om een goede samenwerking tussen basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs, maar ook betrokkenheid van leerlingen en ouders.

4. VISIE EN CULTUUR
De inspectie vindt het belangrijk dat scholen een visie uitwerken op het bieden van kansen voor iedere leerling en het tegengaan van kansenongelijkheid. Scholen zouden deze visie moeten terugkomen in het beleid rondom advies- en plaatsingsprocedures, in afspraken over het verzamelen en analyseren van leerlingen-informatie en in de omgang met elkaar. Ook moet worden gestreefd naar een schoolcultuur waarin iedereen vanuit deze visie werkt aan het bieden van kansen en het tegengaan van kansenongelijkheid.

De inspectie ging aan de slag met de uitkomsten van het onderzoek. In het primair onderwijs is een themabezoek ‘PO naar VO!’ gestart, om in gesprek te gaan over de te maken afwegingen bij het adviseren van leerlingen. In het voortgezet onderwijs onderzoek op veertien plekken naar plaatsingsprocedures. Ook werd een serious game basisschooladvies ontwikkeld, waarbij de inspectie leraren feedback geeft op de afwegingen die zij maken bij het adviseren en inschatten van de mogelijkheden van leerlingen.

DE STAAT VAN HET ONDERWIJS 2019

In 2019 heeft de Inspectie van het Onderwijs de Staat van het Onderwijs over het jaar 2017/2018 gepubliceerd. Daaruit blijkt dat de mate waarin het advies van een leerkracht in het po positief of negatief afwijkt van het advies dat je op basis van de eindtoets zou verwachten de afgelopen drie jaar niet verder is opgelopen. Basisscholen passen de adviespraktijk aan en betrekken meerdere collega’s bij advisering. In de onderbouw van het vo stromen voor het eerst meer leerlingen op dan dat er afstromen. Het gaat daarbij vooral om leerlingen met lager opgeleide ouders en leerlingen met een niet-westerse achtergrond van de eerste generatie. Dit heeft eraan bijgedragen dat de oplopende ongelijkheid in de onderbouw van het vo is gestabiliseerd. Ook zijn er meer gelijke kansen voor leerlingen in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Wel staat de kansengelijkheid onder druk doordat scholen met veel leerlingen met een niet-westerse achtergrond harder worden getroffen door het lerarentekort. Het blijft belangrijk dat scholen zich bewust zijn van mechanismen in het onderwijs die kansenongelijkheid creëren. De bestuurder tot de docent moet zich de vraag stellen: wat betekent mijn handelen voor de gelijke kansen van mijn leerlingen en wat kan ik doen? Kansen(on)gelijkheid is een zaak van iedereen.

Lees de Staat van het Onderwijs 2019 op de website van de Inspectie van het Onderwijs.