'Kinderen met specifieke behoeften opnemen in een gewone klas is niet voldoende’

'Kinderen met specifieke behoeften opnemen in een gewone klas is niet voldoende’

Het European Agency for Special Needs and Inclusive Education (EASNIE) zet zich in voor het realiseren van inclusief onderwijs in Europa. In heel Europa zetten landen stappen naar inclusief onderwijs, maar hoe wordt ervoor gezorgd dat alle leerlingen op termijn kwalitatief onderwijs krijgen in hun eigen omgeving? Cor Meijer, directeur van EASNIE, beantwoordt deze vraag in een interview met KLASSE, een Belgisch onderwijsmagazine.

Internationale afspraken

Meijer vertelt over het werk dat EASNIE doet met Europese landen. Ze kijken naar waar het land staat wat betreft inclusief onderwijs en hoe ze verder kunnen ontwikkelen, maar helpen ook bij het verbeteren van hun wetgeving rond inclusief onderwijs. Meijer: “want inclusief onderwijs is de marsrichting. Dat is zo afgesproken in verschillende internationale verdragen, zoals het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (artikel 24) en Sustainable Development Goal 4, waarvoor het EASNIE input leverde. […] Alle EU-landen spraken samen af: inclusief onderwijs is een topprioriteit, en met de hulp van het EASNIE gaan we dat waarmaken.”

Inclusief onderwijs in Europa

EASNIE geeft op basis van literatuurstudies en thematisch onderzoek beleidsadviezen over inclusief onderwijs aan ieder land. Cor Meijer benadrukt wat er onder de internationale verdragen wordt verstaan als inclusief onderwijs: “Kinderen met specifieke onderwijsbehoeften opnemen in een gewone klas, is niet voldoende. Dan heb je wel integratie, maar nog geen inclusie. Inclusief onderwijs betekent dat elke leerling kwalitatief onderwijs volgt in zijn eigen omgeving, samen met leeftijdsgenootjes. Lange busritten naar speciale scholen of internaten, dat is niet meer van deze tijd. We moeten de zorg naar de leerling brengen, niet de leerling naar de zorg.”

Ideale praktijk

Voordat landen werk kunnen maken van inclusief onderwijs, moeten zij zich eerste afvragen hoe hun onderwijssysteem omgaat met diversiteit, vertelt Cor Meijer. “In een onderwijssysteem dat erg homogeen is georganiseerd, krijgen die natuurlijke verschillen tussen leerlingen onvoldoende plaats. Wil je inclusief onderwijs haalbaar maken? Dan moet je afscheid nemen van organisatievormen die weinig ruimte laten voor diversiteit, zoals jaarklassen, zittenblijven en vroege selectie. Leerlingen van dezelfde leeftijd heterogeen groeperen werkt het best, daar is het EASNIE van overtuigd.”

Verandering van het onderwijssysteem nodig

Kortom, om inclusie te laten slagen moet het hele onderwijssysteem veranderen. Buitengewoon onderwijs moet geen ‘uitweg’ blijven, hierdoor worden scholen niet gestimuleerd om in te spelen op diversiteit. Maar inclusie zit ook in kleine dingen, benadrukt Cor Meijers. “Een band met je leerlingen, een fijne groepsdynamiek: dat is óók inclusief onderwijs. Zeker kinderen met gedragsmoeilijkheden leren veel van hun ‘peers’. Het geeft hun houvast als de klas samen regels afspreekt en leerlingen elkaar corrigeren. Maar die peer learning is geen eenrichtingsverkeer. In een klas die de samenleving weerspiegelt, trainen álle kinderen hun sociale vaardigheden.”

Inclusief onderwijs en sociale inclusie

Cor Meijers beargumenteert dat er voorbeelden genoeg zijn om te laten zien dat inclusief onderwijs en hoge prestaties elkaar niet uitsluiten. Deze aanname is ontstaan door een vertekende rangorde, inclusief onderwijs komt de economie juist ten goede, vertelt hij. “Het EASNIE deed een studie naar de link tussen inclusief onderwijs en sociale inclusie. Wat blijkt: inclusief onderwijs vergroot de kansen van leerlingen met specifieke behoeften om een wezenlijke maatschappelijke bijdrage te leveren. Ze zijn minder afhankelijk van uitkeringen en andere speciale regelingen. Op de lange termijn komt dat de economie ten goede.”

Lees het interview met Cor Meijers, directeur van EASNIE.

Ga naar de website van European Agency for Special Needs and Inclusive Education.