Tussenstand evaluatie Wet passend onderwijs

Tussenstand evaluatie Wet passend onderwijs

In de zomer van 2019 was het vijf jaar geleden dat de Wet passend onderwijs in werking trad. Momenteel wordt passend onderwijs geëvalueerd aan de hand van het vijfjarige evaluatieprogramma ‘evaluatie passend onderwijs ’. Ieder jaar verschijnt een rapport waarin een beeld wordt gegeven hoe passend onderwijs er op dat moment voor staat. Ondanks dat de evaluatie nog in volle gang is en de eindrapportage in het voorjaar van 2020 komt, is er een tussenstand gegeven in het vorige maand verschenen rapport ‘Stand van Zaken Evaluatie Passend Onderwijs’. In de tussenstand worden terugkerende vraagstukken en belangrijke bevindingen rondom het primair- en voortgezet onderwijs beschreven aan de hand van de resultaten van het onderzoek uit voorjaar 2019.

PASSEND ONDERWIJS

Passend onderwijs heeft als doel om voor elke leerling met een extra onderwijsbehoefte een passende plek in het onderwijs te vinden. Bij de invoering van passend onderwijs werd gehoopt dat hierdoor meer leerlingen een onderwijsplek dicht bij huis zouden krijgen. In de evaluatie wordt daarom gekeken naar de deelname aan het speciaal (basis)onderwijs van de afgelopen jaren.

“Regulier onderwijs als dat kan, speciaal (basis)onderwijs als dat beter of nodig is voor een leerling” - Wet passend onderwijs


REGULIER ONDERWIJS

Eén van de vragen die centraal staat in het rapport is of meer leerlingen een plek vinden in het regulier onderwijs sinds de invoering van passend onderwijs. Ondanks dat het aantal leerlingen in het speciaal (basis)onderwijs vanaf 2014 daalde, neemt het aantal leerlingen sinds 2016 weer licht toe. De meerderheid van de samenwerkingsverbanden sturen aan op het verminderen van het aantal leerlingen dat naar speciaal onderwijs gaat. Ook blijkt er een verband te zijn tussen een afname van het aantal leerlingen dat speciaal (basis)onderwijs volgt en de financiële situatie van het samenwerkingsverband, aangezien plaatsingen in het speciaal (basis)onderwijs duur zijn. Het doel was om regionale verschillen te verkleinen. Om te bepalen of dit is gelukt, of dat de toegankelijkheid tot speciale voorzieningen onder druk staat, wordt hier in 2019 aanvullend onderzoek naar gedaan.

LEERLINGEN DIE NIET NAAR SCHOOL GAAN

Leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte die langer dan drie maanden niet naar school gaan vormen een subgroep binnen de doelgroep van passend onderwijs. Eén van de doelen bij de invoering van passend onderwijs was om dit aantal leerlingen terug te dringen. Het aantal leerlingen langer dat dan drie maanden niet naar school gaat is echter gestegen. Dit komt deels doordat de registratie is verbeterd. Ook speelt er bij deze leerlingen vaak een combinatie van complexe problemen die niet zomaar kunnen worden opgelost. Naar schatting gaat het bij ieder vo-samenwerkingsverband op ieder moment om ruim vijftien leerlingen.

TOEGANG TOT ONDERSTEUNING

Sinds de invoering van passend onderwijs wordt er gewerkt met basis- en extra ondersteuning en is het de bedoeling dat de behoefte van het kind centraal staat. Of leerlingen adequate ondersteuning krijgen is niet vast te stellen op basis van generieke en objectief meetbare criteria. Dat komt onder meer doordat samenwerkingsverbanden, besturen en scholen hierin eigen keuzes mogen maken en dat ook doen. Daardoor is er meer flexibiliteit gekomen in de toewijzing van extra ondersteuning. Voor ouders levert deze flexibiliteit meer onduidelijkheid op welke ondersteuningsmogelijkheden er zijn, wat ze van een school of samenwerkingsverband mogen verwachten en wat hun rechten zijn. Ook is er sprake van medicalisering omdat diagnoses een rol blijven spelen bij de toewijzing van ondersteuning. Daarnaast verdient de afstemming tussen onderwijs, jeugdhulp en zorg nog veel aandacht.

EXTRA BELASTING

Sinds de invoering van passend onderwijs geven leraren aan dat ze extra belast worden door het lesgeven aan leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte. Hoe dit komt is niet helemaal duidelijk en in de onderzoeksresultaten is ook geen grote stijging van het aantal leerlingen met een ondersteuningsbehoeften in reguliere klassen te zien. Wel is te zien dat leerlingen in het voortgezet onderwijs meer ondersteuning nodig hebben waardoor de ‘zorgzwaarte’ licht toeneemt.

Voor leraren is ondersteuning beschikbaar, zowel intern als extern. In het basisonderwijs geeft 40% van de leerkrachten in 2018 aan dat er regelmatig extra handen in de klas aanwezig zijn om extra ondersteuning te bieden. In het voortgezet onderwijs is dit minder en kan ongeveer 10% rekenen op extra ondersteuning. Veel leraren, intern begeleiders en zorgcoördinatoren ervaren in procedures rond leerlingenzorg wel bureaucratie. Dit speelt een rol in de ervaren belasting.

BUDGET

Een van de doelen van passend onderwijs is kosten beheersen. Samenwerkingsverbanden, schoolbesturen en scholen hebben ruimte gekregen om te bepalen hoe ze de middelen voor passend onderwijs het beste kunnen besteden. Ondanks dat betrokkenen in het onderwijs deze ruimte waarderen, zorgt het er ook voor dat moeilijk na is te gaan of de middelen goed worden besteed. Door het landelijk vastzetten van het budget voor leerlingen met ondersteuningsbehoeften zijn de kosten voor de rijksoverheid bekend en beheerst. Samenwerkingsverbanden geven het grootste deel van de middelen rechtstreeks aan schoolbesturen en scholen. Toch zijn schoolleiders vaak niet tevreden met het budget en zetten ook andere middelen in om extra ondersteuning te bieden.