Stap 3: Inventarisatie

Geïnspireerd door teambijeenkomsten, sprekers en wellicht een studiereis, kan het leiderschapsteam aan een volgende stap beginnen. Hoe ver is het bestuur of samenwerkingsverband op weg naar inclusief onderwijs? Maak een systematische diagnose van de situatie bij de scholen die onder het bestuur of het SWV vallen. Voor hoeveel leerlingen op de scholen is nu formeel extra ondersteuning geregeld in de vorm van een Toelaatbaarheidsverklaring (TLV) en hoeveel van die leerlingen zitten op een speciale school? Voor hoeveel leerlingen (of besturen) is extra ondersteuningsgeld (zorgarrangementen) ingezet op de reguliere school?

Zijn er scholen binnen het bestuur en het SWV waar al relatief veel leerlingen met een beperking welkom zijn? (Dat is eventueel vast te stellen aan de hand van schoolondersteuningsprofielen die scholen moeten opstellen en aan de cijfers over verwijzingen naar speciaal onderwijs of het aantal aangevraagde zorgarrangementen)? Hoeveel leerlingen volgen speciaal onderwijs binnen het gebied van het SWV? Wat is de instroom per leeftijdsgroep? Om welke beperking gaat het doorgaans: verstandelijk, zintuiglijk of is sprake van gedragsproblemen? Hoeveel kinderen zijn uitgesloten van onderwijs, omdat ze zijn vrijgesteld van leerplicht vanwege hun handicap (artikel 5a leerplichtwet) en zitten thuis of op kinderdagcentra? De gemeentelijke afdeling leerplicht houdt precies bij hoeveel kinderen vrijstelling hebben en geven die informatie op aanvraag.

Lees hieronder verder welke documenten belangrijk zijn om te inventariseren door op de + te drukken. 

De beleidsplannen

Inventariseer de beleidsplannen die binnen het SWV of het bestuur zijn gemaakt op de visie op inclusie. Hoe wordt de visie op onderwijs voor kinderen met een beperking beschreven? Is er een streven naar meer inclusie vastgelegd? Als er wordt gesproken over het bieden van ‘passend’ onderwijs, wat wordt precies verstaan onder ‘passend’ en wie bepaalt wat passend is; zijn dat de afzonderlijke scholen? Is uitgesproken dat speciaal onderwijs gehandhaafd blijft en hoe wordt dat uitgedrukt; in behoud van aparte speciale scholen of in behoud van expertise? Is er beleid om beide schoolsoorten intensiever met elkaar te laten samenwerken?

Bij de inventarisatie van het beleid kijk je ook naar beleid voor ondersteuning en kennisbevordering van leerkrachten binnen de scholen. Is er sprake van een systeem binnen het SWV of het bestuur over toewijzen van ondersteuning in de klas? Hoe wordt bijvoorbeeld bepaald of voor een leerling een extra zorgarrangement (extra budget) wordt toegekend? Hangt dat af van de ondersteuningsbehoefte van een leerling, de toekenningsvoorwaarde van jeugdzorgbudget of speelt de dynamiek in de groep een rol? Is binnen het bestuur en het SWV nagedacht over hoe de vaardigheden en kennis van alle leerkrachten kunnen worden vergroot zodat de kwaliteit van het onderwijs verbetert?

Als een bestuur of een SWV beleid heeft om ambulante ondersteuning in te zetten, is de vorm waarop dit gebeurt altijd in lijn met de inclusiegedachte? Worden lesstrategieën die van belang zijn voor inclusief onderwijs toegepast, zoals co-teaching, coöperatief leren, peertutoring (leerlingen werken samen en leren elkaar leren) en gedifferentieerde instructie? Krijgt een leerling met een ernstige beperking bijvoorbeeld altijd apart begeleiding en instructie of wordt ervoor gezorgd dat hij of zij altijd deel kan nemen aan het lesprogramma van de groep?

Leg de beleidsplannen naast de eerder besproken visie op inclusief onderwijs. Gebruik hiervoor de checklist ‘is het onderwijssysteem al helemaal inclusief?’.

De financiën

Inventariseer de financiële afspraken en regelingen binnen het samenwerkingsverband en de uitwerking daarvan. De hoofdvraag is: hoe lopen de geldstromen? Volgt budget voor ondersteuning de leerling, of is ondersteuning vooral gefinancierd op speciaal onderwijs?

De rijksoverheid heeft budgetten voor ondersteuning van leerlingen met een beperking overgedragen aan samenwerkingsverbanden. Een SWV kan in overleg met alle besturen van alle scholen binnen een SWV afspraken maken over hoe dat budget wordt besteed. Bij de inventarisatie van de financiën binnen een SWV is het van belang de structuur te kennen. Voor elke leerling is een vast bedrag (basisbekostiging a 5300 euro voor basisonderwijs en 6400 voor voortgezet onderwijs) beschikbaar. Elke school, regulier of speciaal, krijgt dat geld per ingeschreven leerling. Daarnaast krijgt het SWV een budget voor ondersteuning van leerlingen met een beperking. Van dat budget moet een extra bedrag verplicht worden overgemaakt aan speciale scholen voor elke leerling die daar staat ingeschreven. De hoogte van dat bedrag is afhankelijk van de intensiteit van de ondersteuningsbehoefte. Het SWV beoordeelt of een leerling naar een speciale school mag gaan (door middel van een Toelaatbaarheidsverklaring (TLV)) en bepaalt de intensiteit van de ondersteuning (licht, midden of zwaar) en maakt het geld dat daarbij hoort over naar de speciale school.

Voor een leerling in speciaal basisonderwijs betaalt het SWV bovenop de basisbekostiging van 4269 euro (prijspeil 2016) 8237 euro per schooljaar voor een ZMLK-leerling (Downsyndroom of een leerling met autisme bijvoorbeeld), 14406 euro voor een leerling met een lichamelijke beperking en voor een leerling met meervoudige beperkingen. In het middelbaar onderwijs is er voor Leerwegondersteunend onderwijs (LWOO) en Praktijkonderwijs 4275 euro per leerling beschikbaar. Voor leerlingen met een verstandelijke beperking of autisme e.d. 9163 euro, voor een leerling met een lichamelijke beperking is dat 16260 euro en voor een leerling met meervoudige beperkingen komt dat neer op 20223 euro.

Als alle TLV-budgetten door het SWV zijn uitgekeerd voor leerlingen op speciale scholen, resteert een budget dat wordt gebruikt voor ondersteuning op de reguliere scholen. Hoe dat resterend budget wordt uitgekeerd is afhankelijk van wat het bestuur van het SWV beslist. Wordt het geld gebruikt voor ambulante ondersteuning en/of voor zorgarrangementen? Of wordt het geld gebruikt om simpelweg uit te keren aan de scholen, los van de vraag of die scholen veel of weinig leerlingen met een beperking hebben?

Het systeem beoogt samenwerkingsverbanden te prikkelen om de instroom in het speciaal onderwijs af te remmen. Immers, hoe minder verwijzingen, hoe minder het SWV moet betalen per leerling op speciaal onderwijs en hoe meer budget resteert voor gewone scholen. De prikkelsystematiek werkt echter verre van optimaal. In de praktijk nemen afzonderlijke scholen het besluit om een leerling te verwijzen naar speciaal onderwijs en de financiële last van doorverwijzing drukt op alle scholen gezamenlijk. Puur financieel geredeneerd is het nadelig voor een school om een leerling met een beperking binnen te houden (want dan moet het investeren in ondersteuning) terwijl een verwijzing naar speciaal onderwijs de verwijzende school vrijwel niets kost.

In samenwerkingsverbanden kan de afspraak worden gemaakt om scholen op schoolniveau af te rekenen op percentage verwijzingen. Dan kost het de school direct geld per verwijzing. Daar hoort dan bij dat de school een budget gelijkwaardig aan dat van de speciale school zou krijgen (zie bovenstaande bedragen) als de school de leerling binnenboord houdt.

Bij de inventarisatie van financiën is het nuttig ook te kijken naar inzet van zorggelden. Scholen worden niet geacht medische zorg of persoonlijke zorg te financieren voor kinderen met een beperking. Dat wordt in principe betaald vanuit wijkverpleging (voor medische zorg) of vanuit Jeugdwet of de Wet Langdurige Zorg. Landelijk zijn daarvoor miljarden beschikbaar; veel meer geld dan er voor directe onderwijstaken beschikbaar is. Voor een kind met een meervoudige beperking dat fulltime in een kinderdagcentrum verblijft is 45.000 euro beschikbaar. De zorg (en dus dat budget) mag in principe óók op school worden verstrekt. Ook jeugdzorg kan worden ingezet op school op voorwaarden die de gemeenteraad bepaalt. Jeugdzorg budgetten kunnen lager zijn per kind in vergelijking met medische/persoonlijke zorg budgetten. Vanuit zorgbudgetten kunnen begeleiders in de klas worden betaald die toezicht houden, begeleiden bij ingewikkeld gedrag of persoonlijke verzorging bieden.

Kijk bij de inventarisatie welke afspraken zijn gemaakt met gemeenten over jeugdzorg. Kijk hoeveel geld is gemoeid met die afspraken tot nu toe. Richten de afspraken zich op specifieke kinderen of is er ook beleid om kennis vanuit jeugdzorg algemener in te zetten op scholen?

Ook behandelaars kunnen op school worden ingezet, gefinancierd vanuit zorg: logopedisten, ergotherapeuten, psychologen, orthopedagogen. In speciaal onderwijs is zulke zorg meegefinancierd. Op reguliere scholen moet apart worden gezocht naar hoe de inzet kan worden georganiseerd en gefinancierd. Een expert, zoals Onderwijszorgconsulent of het Steunpunt onderwijs kan helpen bij het inventariseren en navigeren in die regelgeving daarvoor.

De praktijk en cultuur

Inventariseer tenslotte ook de praktijk binnen een samenwerkingsverband en de culturele aspecten van inclusie. Is binnen het SWV of bestuur een systeem voor ambulante ondersteuning op scholen? Onderzoek dan hoe die ambulante ondersteuning vorm krijgt. Is er de neiging de leerling met een beperking uit de klas te halen voor extra ondersteuning? Of streven ambulante ondersteuners naar het zo goed mogelijk ondersteunen van de leerling én de leerkracht in de eigen klas. Is er kennis bij ambulante ondersteuners over wat inclusie kan en moet zijn en hoe een leerkracht om kan gaan met grote verschillen binnen een klas?

Wat is de uitstraling van het SWV: voelt iedereen zich welkom? Komen ouders en scholen vanzelf langs voor advies of alleen als er sprake is van een conflict? Steunt het SWV ook ouders of staat het alleen open voor scholen? Als een school advies vraagt over een leerling met een beperking, zoeken SWV-medewerkers dan eerst uitputtend naar manieren om de leerling én de leerkracht op de eigen school te helpen of wordt zonder meer een procedure voor een Toelaatbaarheidsverklaring gestart?

Volgende stap: actieplan.